afkomen van

Vertalingen

afkomen van

(ˈɑfkomə(n) vɑn)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd kwam af van , voltooid deelwoord is afgekomen van
(iets vervelends) kwijtraken Die man loopt me steeds achterna. Hoe kom ik van hem af? proberen van het roken af te komen
weinig krijgen De anderen kregen veel eten, maar wij kwamen er bekaaid van af met alleen een bord soep.