afbreken

Thesaurus
Vertalingen

afbreken

abbrechen, abpflügen, abreißen, aufbrechen, brechen, dividieren, einteilen, gliedern, in Mißkredit bringen, losreißen, pflücken, teilen, verteilen, zerlegenbreak, demolish, pluck, stop, breakdown, breakoff, crydown, cut, cutaconnection, cutup, divide, pick, pulldown, pulltopieces, rundown, separate, share, takedown, tearoff, writedown, pillory, suspend, chipdémolir, abattre, briser, interrompre, abaisser, arrêter, cueillir, débiter, diviser, partager, rompre, terminer, violer, aboyer à, faire cesser, (se) casser, casser, détacher, s'arrêter net, défaire, cesser, détruire, ébrécherdividir, desportillar, rompervomico, scheggiarsiيَكْسِرُulomitslå et stykke afσπάζωlohkaistaokrznuti・・・を欠く잘게 썰다fliseułamaćlascarотломитьslå sönder (en flisa)ทำให้เป็นรอยแหว่งkırmakvô tình làm vỡ vụn碰掉 (ˈɑvbrekə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd brak af , voltooid deelwoord heeft afgebroken
1. zorgen dat iets er niet meer is een muur afbreken
2. voortijdig beëindigen onderhandelingen afbreken
3. door breken scheiden of gescheiden worden een stukje chocola afbreken De luifel brak plotseling af van de muur.
een lang woord aan het einde van de regel splitsen