af

Thesaurus
Vertalingen

af

bereit, erbötig, fertigready, finished, through, downprêt, accompli, achevé, fini, fini/finie, completdisposto, essere disposto, largo, pronto (ɑf)
bijwoord
1. onaf klaar Is je huiswerk af?
2. naar beneden of weg van iets Hij loopt dan de trap af. Na zeven jaar ging hij van zijn vrouw af.
heen en weer Vogels vliegen hier af en aan.
3. naar iemand of iets toe
4. weer zover zijn als toen je begon
5. vaak zo nu en dan We gaan af en toe naar de sportschool.