aanzien


Zoekopdrachten gerelateerd aan aanzien: de scepter zwaaien, in zwang
Thesaurus

aanzien:

identiteitzelf, prestige, status, image, exterieur,
Vertalingen

aanzien

(ˈanzin)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
1. hoe iemand beoordeeld wordt
veel waardering of respect ondervinden
2. hoe iets er uitziet Dat gebouw krijgt een nieuw aanzien.
3. met betrekking tot Ten aanzien van de vorderingen, kan ik u zeggen dat die goed zijn.

aanzien

Anblick, Anschein, Ansehen, Augenschein, Aussehen, dulden, Scheinaspect, tolerate, appearance, endure, esteem, look, putupwith, regard, respect, sight, viewair, allure, aspect, tolérer, apparence, spectacle, considération, considérer, prestige, qualité, regard, regarder, vue, lustre, crédit, grandeur, distinction, importanceapparenza, aspetto, cera, lato (ˈanzin)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd zag aan , voltooid deelwoord heeft aangezien
1. kijken naar een bloederig tafereel niet kunnen aanzien
je kunt aan iemand zien dat Het is haar aan te zien dat ze ernstig ziek geweest is.
2. nog even wachten voor je een beslissing neemt
3. waarschijnlijk Naar het zich laat aanzien komt ze morgen.