aanwijzen

Vertalingen

aanwijzen

andeuten, anweisen, weisen, zeigenindicate, suggest, finger, usherdésigner, indiquer, affecter (à), assigner, montrer, marquerdesignardenunziare, indicare, millantareutseกำหนด (ˈanwɛizə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd wees aan , voltooid deelwoord heeft aangewezen
1. met de wijsvinger wijzen naar (iets of iemand) een woord in een tekst aanwijzen
<woord waarmee je duidelijk maakt wie of welke je precies bedoelt> De aanwijzende voornaamwoorden zijn: die, dit, dat en deze.
2. (iemand) uitkiezen voor je pensionering een opvolger aanwijzen
3. laten zien De klok wijst aan hoe laat het is. Boeien wijzen aan waar de vaargeul is.