aanvoelen

Vertalingen

aanvoelen

empfinden, fühlenfeel, sensesentir, ressentir (ˈanvulə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd voelde aan , voltooid deelwoord heeft aangevoeld
1. het genoemde gevoel geven Je hand voelt koud aan.
2. met je gevoel begrijpen aanvoelen dat iemand bang voor je is