aanvang

Thesaurus

aanvang:

sartbegin,
Vertalingen

aanvang

Anfang, Beginnbeginning, commencement, startcommencement, début, inauguration, aube, engagementprincipioначалоiniciarεκκίνησηStartהתחלה시작Start (ˈanvɑŋ)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud
begin Aanvang van het concert: 20:00 uur.