aanstaan

Vertalingen

aanstaan

behagen, belieben, gefallen, konvenierenbeajar, pleaseplaire, convenir (à) (ˈanstan)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd stond aan , voltooid deelwoord heeft aangestaan
zo zijn dat iemand het aangenaam of mooi vindt Die vakantieplannen staan me wel aan.