| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.784.273.164 Bezoekers. |
|
aanspreken |
0,01 sec. |
|
aanspreken ww aanspreken (sprak aan enk ovt; heeft aangesproken volt deelw) [ˈansprekə(n)]
1 (tegen iemand) beginnen te praten De automobilist sprak me aan en vroeg waar de garage was. 2 zo zijn dat iemand het mooi of aangenaam vindt;= bevallen Dit sieraad spreekt me erg aan. 3 gaan gebruiken je spaargeld aanspreken Vertalingen aanspreken ansprechen aanspreken aborder, adresser la parole à, interpeller, parler à, écorner, accoster, toucher Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|