aanspreken

Vertalingen

aanspreken

ansprechenaccost, address, breakinto, sue, broachaborder, interpeller, adresser la parole à, parler à, accoster, toucher, écorner (ˈansprekə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd sprak aan , voltooid deelwoord heeft aangesproken
1. (tegen iemand) beginnen te praten De automobilist sprak me aan en vroeg waar de garage was.
2. zo zijn dat iemand het mooi of aangenaam vindt Dit sieraad spreekt me erg aan.
3. gaan gebruiken je spaargeld aanspreken