aanspraak

Thesaurus

aanspraak:

rechtrechtsgrond, rechtstitel,
Vertalingen

aanspraak

Ansprache, Anspruch, Anrechtclaim, presumption, pretencedroit, occasion de parler, revendicationreclamar (ˈansprak)
zelfstandig naamwoord meervoud -spraken
1. keer dat mensen tegen je praten Ik ben vaak alleen en heb weinig aanspraak.
2. zeggen dat je recht op iets hebt aanspraak maken op een erfenis