aansporen

Vertalingen

aansporen

anhalten, anregen, anreizen, anspornen, antreiben, aufhetzen, herausfordern, reizen, stimulieren, vermahnen, zuredenadmonish, encourage, instigate, scold, urge, impel, rouse, spuron, stimulate, stirup, abet, exhort, move, spurexhorter, stimuler, admonester, gronder, inciter, engager, pousser à, sermonner, sommer, éperonner, pousser (à), animer, fouetter, galvaniser, pousser, provoquer, ranimer, solliciter, soulever, reprendre, réprimanderinveire, sgridare (ˈansporə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd spoorde aan , voltooid deelwoord heeft aangespoord
aanmoedigen (iets te doen) iemand tot beter gedrag aansporen iemand aansporen geld te geven voor een goed doel