aanslaan

Thesaurus

aanslaan:

taxerenschatten,
Vertalingen

aanslaan

abprallen, anschlagenalarm, root, tax, bark, dim, getblurred, givetongue, raisethealarm, rebound, salute, soundthealarm, strikeimposer, rebondir, alarmer, alerter, confisquer, évaluer (à), frapper, saluer, s'embuer, taxer (à), apposer, partirradice (ˈanslan)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd sloeg aan , voltooid deelwoord
1.
voltooid deelwoord is aangeslagen
(van een hond) beginnen te blaffen In de verte sloeg een hond aan.
2.
voltooid deelwoord is aangeslagen
succes hebben Het nieuwe medicijn slaat aan bij de patiënt.
3.
voltooid deelwoord is aangeslagen
afslaan (van een motor) beginnen te draaien Na lang starten sloeg de motor aan.
4.
voltooid deelwoord heeft aangeslagen
(een toets) indrukken een verkeerde toets aanslaan
5. financieel
voltooid deelwoord heeft aangeslagen
de waarde bepalen van (je inkomen, je huis); belasting laten betalen iemand aanslaan voor de inkomstenbelasting