aanleggen

Thesaurus

aanleggen:

aanmerenmeren, vastmeren, afmeren,
Vertalingen

aanleggen

aufbauen, bauen, einführen, einrichten, einsetzen, erbauen, installieren, konstruierenaim, build, construct, install, level, takeaim, berthconstruire, installer, bâtir, poser, aborderconstruirproposito, scopo (ˈanlɛxə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd legde aan , voltooid deelwoord heeft aangelegd
1. zorgen dat iets er komt een computernetwerk aanleggen een postzegelverzameling aanleggen
2. nautical (aan de wal) gaan vastliggen De kapitein besloot aan te leggen bij de pier.
3. een verhouding beginnen met iemand