aankunnen

Thesaurus

aankunnen:

aanpassen
Vertalingen

aankunnen

be able to cope with, be able to do, be able to match with, be stronger thanêtre capable (de), être de taille (à) (ˈankʏnə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd kon aan , voltooid deelwoord heeft aangekund
1. sterk genoeg zijn om iets te kunnen doen een zware baan aankunnen
2. even sterk of sterker zijn dan (iemand anders) Hij probeerde me op de grond te krijgen, maar ik kon hem makkelijk aan. iemand aankunnen in een debat