aankomen

Thesaurus
Vertalingen

aankomen

anrühren, berühren, rühren, tangieren, ankommenarrive, gain, putonweight, touchtoucher, arriver, porter, prendre du poidsarrivare, giungereприехать, прибыватьيَصِلُpřijítankommeφτάνωllegarsaapuadoći着く도착하다ankommeprzybyćchegarankommaมาถึงvarmakđến到达到達מגיעים (ˈankomə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd kwam aan , voltooid deelwoord is aangekomen
1. komen waar je moet zijn De trein komt over een kwartier aan.
2. raken Dat akelige bericht is hard bij haar aangekomen.
3. afvallen dikker worden in een maand vijf kilo aangekomen zijn
4. iets dichterbij zien komen of voorspellen het onweer zien aankomen een faillissement zien aankomen
5. niets doen tot iets vervelends gebeurt het op een scheiding laten aankomen
6. het is belangrijk dat ... Om in de finale te komen, komt het erop aan dat we deze wedstrijd winnen.