aankleden

Vertalingen

aankleden

ankleiden, anziehen, bekleiden, kleiden, möblierendress, clothe, furnishhabiller, meubler, revêtir, vêtir, s’habillerيُلْبِسُobléci seklæde sig påντύνωvestirsepukeutuaodjenutivestirsi服を着る옷을 입다kle (på)ubraćvestir-seодеватьсяklä på (sig)ใส่เสื้อผ้าgiyinmekmặc quần áo穿衣 (ˈankledə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd kleedde aan , voltooid deelwoord heeft aangekleed
kleren aandoen je weer aankleden na het zwemmen een patiënt helpen met aankleden