aanhouden

Vertalingen

aanhouden

anhalten, arretieren, aufschieben, bremsen, dauern, festnehmen, fristen, sperren, stunden, verhaften, vertagen, verzögern, währenarrest, continue, endure, persist, postpone, stop, adjourn, delay, halt, hold, keep...burning, keepon, last, persevere, pursue one's point, flag, procrastinatearrêter, continuer, ajourner, différer, durer, persévérer, persister, reculer, renvoyer, retarder, suspendre, garder (vêtements), laisser allumé, prolonger, saisircontinuar계속 (ˈanhɑudə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd hield aan , voltooid deelwoord heeft aangehouden
1. niet uitdoen je schoenen aanhouden
2. (iemand) laten stilstaan om iets te vragen een voorbijganger aanhouden om de weg te vragen
3. juridisch (van de politie) arresteren een fietsendief aanhouden
4. niet (laten) ophouden Het slechte weer houdt aan.