aandoen

Vertalingen

aandoen

antun, anziehen, berühren, bewirken, ergreifen, erregen, rühren, veranlassen, verursachen, zufügenaffect, activate, agitate, callat, cause, giveriseto, move, puton, switch, turnon, put onrevêtir, affecter, allumer, appliquer, causer, déterminer, imposer, mettre, procurer, tourner, émouvoir, entraîner des conséquences, faire escale à, remuer, s'arrêter à, toucher à, infliger, chausser, brancher, donner, ouvrircommuòvere, concèrnere (ˈandun)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd deed aan , voltooid deelwoord heeft aangedaan
1. (kleding) aan je lichaam doen een rok aandoen
2. zorgen dat iets werkt de kachel aandoen
3. zorgen dat iemand iets naars meemaakt iemand verdriet aandoen
4. de genoemde indruk maken De warmte doet aangenaam aan.
5. onderweg bezoeken een haven aandoen