aan

Vertalingen

aan

(an)
bijwoord
1. uit in werking De radio staat aan.
2. zij zijn zeer goede vrienden of innige geliefden

aan

an, auf, anbelangt, bei, betreffend, durch, hinter, in, kraft, mit, mittelst, nach, neben, oberhalb, pro, über, um, vermittels, von, zuon, to, at, beside, by, toward, towards, upon, a, about, above, after, behind, bymeansof, concerning, in, inside, into, near, nearby, nearto, nextto, over, per, through, with, within, affix, belong, complaisant, exposure, pillory, suffice, up, up to, ofà, de, en, après, derrière, sur, au milie de, au moyen de, au sujet de, au‐dessus de, chez, contre, dans, par, parmi, près de, tous près de, vers, allumé, en fonctionnement, en marche, mis (vêtements), à/au (à+le)/aux (à+les), envers, pour, sous tensionprovare, accosto, a, accesoعَلَى, عَنْo, zapnutýpå, tændtγια, πάνωen, encendido, sobre, parapäälläo, uključen・・・について, 物の上に載って~에 대해서, 켜진dalej, oem, ligado, sobre, paraвыключенный, оเกี่ยวกับ, กำลังดำเนินอยู่hakkında, üzerindekiđang hoạt động, về关于, 在上 (an)
voorzetsel
1. <je gebruikt dit woord om te zeggen voor wie iets is> een boek aan iemand geven
jij beslist of ... Het is aan jou of we weggaan.
2. <je gebruikt dit woord bij plaatsaanduidingen> aan tafel zitten aan de kust wonen je handen aan het stuur houden
een ziekte aan je hart hebben
3. <je gebruikt dit woord om een verbinding of een relatie uit te drukken> een knoop aan je overhemd zetten aan iemand denken
4. als gevolg van doodgaan aan kanker
5. bezig met aan het werk zijn
6. iets nodig hebben Ik ben toe aan vakantie.