uitspreken
aussprechen, ausdrücken, fällenpronounce, express, announce, articulateprononcer, exprimer, représenter, articuler, émettre, finir (sa phrase), rendre [en justice]pronunciarpronunciarespresso, pronunciareيَنْطِقvyslovitudtaleπροφέρωääntääizgovarati発音する발음하다uttalewypowiedziećпроизноситьuttalaออกเสียงtelaffuz etmekphát âm发音 (ˈœytsprekə(n))
werkwoord wederkerend enkelvoud onvoltooid verleden tijd sprak uit , voltooid deelwoord heeft uitgesproken
1. in klanken weergeven
prononcer Hoe spreek je dat woord uit? Comment prononce-t-on ce mot? 2. in woorden zeggen
exprimer formuler je dankbaarheid uitspreken dire/exprimer sa gratitude niets zeggen, geen mening geven over de gevolgen van die actie
ne pas s'exprimer sur les conséquences de cette action Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.