boer
(bur) mannelijk meervoud -en
boerin
(burˈɪn) vrouwelijk meervoud -nen
zelfstandig naamwoord iemand die als beroep een bedrijf met dieren of land heeft
fermier/-ière (fɛʀmje/-jɛʀ) mannelijk-vrouwelijk een boer met honderd koeien un fermier avec un cheptel de cent bovins een beetje lachen terwijl je dat eigenlijk niet wilt
rire jaune
boer
Bauer, Bube, Bure, Bursche, Edelknabe, Page, Rülpserfarmer, Boer, countryman, page, peasant, rancher, burp, Afrikaner, agrarian, jack, belch, jackalrot, agriculteur, laboureur, fermier, valet, Afrikander, bambin, Boer, gamin, paysan, paysan/-anne, renvoivalete, agricultor, arroto, fazendeiroвалет, отрыжка, фермерlato, pagina, valletto, contadino, ruttoتـَجَشُّؤ, مُزارِعfarmář, říhnutíbøvs, landmandαγρότης, ρέψιμοagricultor, eructo, granjeromaanviljelijä, röyhtäysfarmer, podrigivanjeげっぷ, 農場主농부, 트림gårdbruker, rapbeknięcie, rolnikjordbrukare, rapการเรอ, ชาวนาçiftçi, geğirmetiếng ợ, trang chủ农夫, 打嗝, 农民農民חקלאי (bur)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en borrelend geluid uit je keel rot (ʀo) mannelijk boeren laten faire des rots
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.